Aanvullend verrijkingsrecht

DOI: 10.5553/MvV/157457672020030001005
Artikel

Aanvullend verrijkingsrecht

Bespreking van het proefschrift van mr. T. van der Linden

Trefwoorden ongerechtvaardigde verrijking, aanvullende werking, redelijkheid en billijkheid, onrechtmatige daad, artikel 6:212 BW
Auteurs
DOI
Bron
Open_access_icon_oaa
    • 1 Inleiding

      De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is sinds 1992 als bron van verbintenissen onderdeel van ons BW, naast – onder meer – onrechtmatige daad en onverschuldigde betaling. Hoe deze bronnen van verbintenissen zich tot elkaar verhouden, is reeds lang onderwerp van wetenschappelijk debat.

      Op 26 juni 2019 is Teun van der Linden aan de Universiteit Leiden gepromoveerd op het onderwerp ‘aanvullend verrijkingsrecht’.1x Volledige titel en vindplaats: T. van der Linden, Aanvullend verrijkingsrecht (Meijers-reeks, nr. 121), Den Haag: Boom juridisch 2019. In zijn dissertatie bespreekt hij de wisselwerking tussen de rol van de ongerechtvaardigde verrijking in het Nederlandse vermogensrecht en – in aanvulling op veel eerdere publicaties van andere auteurs – de wijze waarop de vereisten van art. 6:212 lid 1 BW (waarin de vordering in het BW is opgenomen) moeten worden uitgelegd en uitgewerkt.

      Het onderzoek van Van der Linden heeft een zeer lezenswaardig boek opgeleverd, dat bijdraagt aan het debat over de aanvullende werking van het verrijkingsrecht, waarmee wordt bedoeld dat een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kan ontstaan in gevallen waarin overige bepalingen in het BW daar niet in voorzien, zodat zowel het systeem van het BW in stand blijft als recht wordt gedaan in individuele gevallen. De aanvullende werking van het verrijkingsrecht is daarmee (enigszins) vergelijkbaar met en gerelateerd aan de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit debat is in het licht van enkele rechtspolitieke ontwikkelingen in de jurisprudentie die ik meen te ontwaren wellicht actueler en belangrijker dan ooit.

      Aangezien de grondslagen en vereisten van art. 6:212 BW met elkaar samenhangen – en een soort van communicerende vaten vormen –, is commentaar alleen zinvol na een samenvatting van de belangrijkste bevindingen in het proefschrift.

    • 2 De inhoud van het proefschrift

      2.1 De onderzoeksvragen van het proefschrift

      Beginnend vanuit een breed perspectief stelt Van der Linden allereerst de vraag wat het verrijkingsbeginsel inhoudt en hoe dit beginsel tot uitdrukking komt in het vermogensrecht. Onder het verrijkingsbeginsel wordt verstaan dat niemand ten koste van een ander ongerechtvaardigd behoort te worden verrijkt. Aan de hand van de antwoorden op die eerste onderzoeksvraag onderzoekt Van der Linden wat de plaats en taak van de algemene verrijkingsactie in het vermogensrecht zijn. Vandaaruit onderzoekt Van der Linden hoe de afzonderlijke in art. 6:212 lid 1 BW neergelegde vereisten moeten worden geïnterpreteerd, en hoe deze het beste kunnen worden uitgewerkt. En ten slotte stelt Van der Linden de vraag wat de algemene verrijkingsactie kan toevoegen aan enkele andere leerstukken in het vermogensrecht, in het bijzonder het overeenkomstenrecht en het onrechtmatigedaadsrecht.2x Van der Linden 2019, par. 1.2.

      2.2 Het verrijkingsbeginsel

      Van der Linden besteedt in de eerste plaats veel aandacht aan het verrijkingsbeginsel, dat hij terecht onderscheidt van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking. Het beginsel komt tot uitdrukking in het gehele vermogensrecht, terwijl de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking slechts een specifieke verschijningsvorm van het beginsel is.3x Van der Linden 2019, par. 2.4.2.

      Het verrijkingsbeginsel zegt dát ongerechtvaardigde verrijkingen moeten worden tegengegaan, maar zegt niet wát een ongerechtvaardigde verrijking is. Van der Linden betoogt daarom dat het beginsel pas inhoud en reliëf krijgt als het in verbinding wordt gebracht met concrete vermogensrechtelijke uitgangspunten.4x Van der Linden 2019, par. 2.5-2.10. In de eerste plaats is van belang dat het vermogen iets is dat aan de rechthebbende toebehoort. Uit dit uitgangspunt volgt dat een vermogensverschuiving een rechtvaardiging behoeft: wanneer de verrijkte zonder daartoe strekkende rechtvaardigingsgrond een vermogensbestanddeel verwerft dat afkomstig is van de verarmde partij, dan is de verrijkte ten koste van de verarmde ongerechtvaardigd verrijkt.5x Van der Linden 2019, par. 2.6. Deze conclusie kan worden aangeduid als de sine causa-benadering van het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking, dat ook ten grondslag ligt aan het leerstuk van de onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW).

      Van der Linden brengt het beginsel dat ongerechtvaardigde verrijkingen moeten worden tegengegaan ook in verband met gedragsnormen, waaraan het verrijkingsbeginsel volgens hem ten grondslag kan liggen. Uit deze associatie vloeit volgens Van der Linden het principe voort dat niemand ten koste van een ander mag profiteren van zijn onereuze gedrag.6x Van der Linden 2019, par. 2.8.

      In de derde plaats brengt Van der Linden het verrijkingsbeginsel in verband met het uitgangspunt dat eenieder zijn eigen schade behoort te dragen. Wanneer dit uitgangspunt normatief wordt opgevat en in verband wordt gebracht met het verrijkingsbeginsel, dan treedt een ongerechtvaardigde verrijking in als de eiser schade lijdt, terwijl deze schade tot de sfeer van de gedaagde behoort. De zaakwaarneming, verschillende risicoaansprakelijkheden (die zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat een partij die profijt heeft van een bepaalde hoedanigheid dan ook de schade dient te dragen die daarbij aan derden kan worden berokkend) en aansprakelijkheid voor rechtmatige overheidsdaad laten zich volgens Van der Linden onder dit principe scharen.7x Van der Linden 2019, par. 2.9.

      Ten slotte wijst Van der Linden op het verband met de redelijkheid en billijkheid. Verrijkingen die buiten de normale gang van zaken in het economische verkeer ontstaan, moeten met een kritische blik worden bezien op grond van de redelijkheid en billijkheid en op grond van het beginsel dat ongerechtvaardigde verrijkingen moeten worden tegengegaan.8x Van der Linden 2019, par. 2.10.

      2.3 De algemene verrijkingsactie

      De algemene verrijkingsactie is een van de verschillende uitwerkingen van het verrijkingsbeginsel. Naast de in art. 6:212 BW geregelde algemene vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, bevat het BW ook specifieke regels die op het verrijkingsbeginsel kunnen worden teruggevoerd, zoals de vordering uit onverschuldigde betaling en de regels over regres. In tegenstelling tot de meeste andere regels waarin het verrijkingsbeginsel is verdisconteerd, is de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking niet méér bepaald dan het algemene beginsel dat niemand ten koste van een ander ongerechtvaardigd mag worden verrijkt. Van der Linden betoogt dat de wetgever met deze algemeen geformuleerde verrijkingsactie een grondslag in het leven heeft geroepen om ‘verrijkingsgevallen’ tot een oplossing te brengen waarin niet door het overige vermogensrecht is voorzien. In zoverre is de verrijkingsactie het sluitstuk – of de afronding – van het vermogensrechtelijke systeem.9x Van der Linden 2019, par. 3.2.

      Van der Linden wijst erop dat de wetgever niet per se de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking in het BW hoefde op te nemen.10x Van der Linden 2019, par. 3.3. Het vermogensrecht, waarin open normen een grote rol spelen, heeft volgens hem aanzienlijke spankracht om ongerechtvaardigde verrijkingen te voorkomen of ongedaan te maken. Van der Linden concludeert daarom dat aan de vordering niet alleen het verrijkingsbeginsel ten grondslag ligt, maar ook de redelijkheid en billijkheid, waarmee onvoorziene vermogensrechtelijke conflicten op aansprekende wijze tot een oplossing kunnen worden gebracht. In bijzondere gevallen gaat het om Einzelfallgerechtigkeit, terwijl veelvoorkomende gevallen zich kunnen ontwikkelen tot nieuwe rechtsregels.11x Van der Linden 2019, par. 3.4. Kortom, met de algemene verrijkingsactie kan het systeem van het vermogensrecht worden uitgebouwd en verfijnd, terwijl anderzijds nieuwe ontwikkelingen in het recht of de maatschappij kunnen doorwerken in het verrijkingsrecht. Doordat de algemene verrijkingsactie het systeem van het vermogensrecht kan aanvullen, hoeft het overige vermogensrecht niet ‘rekkelijk te worden opgevat’ om ongerechtvaardigde verrijkingen te voorkomen. Het verrijkingsrecht vervult dus een ventielfunctie en een corrigerende functie.12x Van der Linden 2019, par. 3.5-3.6. Verder kan het verrijkingsrecht fungeren als sanctie op unclean hands in gevallen waarin (ondanks onzuiver handelen van de gedaagde) geen aansprakelijkheid ontstaat op grond van onrechtmatige daad of wanprestatie.13x Van der Linden 2019, par. 3.4.7. In deze zin ook: J.B.M. Vranken, De strijd om het nieuwe verrijkingsrecht. Literatuur versus rechtspraak, NJB 1998, afl. 33, p. 1495-1504.

      Van der Linden toont zich bewust van de keerzijde van de mogelijkheden die de verrijkingsactie volgens hem biedt. Hij onderkent dat het open karakter van de verrijkingsvordering het gevaar met zich brengt dat het systeem van het vermogensrecht door de toepassing van de verrijkingsactie wordt doorkruist, dat het bestaan van de algemene verrijkingsactie ten koste kan gaan van de rechtszekerheid, en dat ongerechtvaardigde verrijking als bron van verbintenissen kan leiden tot rechterlijke willekeur.14x Van der Linden 2019, par. 4.2.

      Desondanks toont hij zich een warm voorstander van de verrijkingsactie als mechanisme waarmee aanvaardbare en zelfs aansprekende uitkomsten kunnen worden bereikt wanneer het overige vermogensrecht tekortschiet. Hij ziet daarvoor voldoende mogelijkheden indien art. 6:212 lid 1 BW zo veel als mogelijk op een systematische wijze wordt geïnterpreteerd.15x Van der Linden 2019, par. 4.3.4. Oplossingen moeten worden aanvaard die in het verlengde liggen van het systeem van het vermogensrecht. Dit wordt ook geëist door de redelijkheid en billijkheid, die mede de grondslag vormen voor art. 6:212 lid 1 BW; zij eisen immers dat de verrijkingsactie wordt toegepast op een manier die past in het stelsel van de wet en aansluit bij wel in de wet geregelde gevallen, omdat partijen hun gedrag afstemmen op het recht.16x Zie ook art. 6:1 BW en het standaardarrest van de Hoge Raad in de zaak Quint/Te Poel (HR 30 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AI1600, NJ 1959/548). Pas als de wet geen duidelijke richting geeft, of als de wet tot onaanvaardbare consequenties leidt of dreigt te leiden, kunnen billijkheidsargumenten tot toepassing van de verrijkingsactie nopen.17x Van der Linden 2019, par. 4.3.5.

      2.4 Twee groepen vereisten, twee gevalstypen

      Van der Linden deelt de vereisten van art. 6:212 lid 1 BW in twee groepen in. In de ene groep plaatst hij de vereisten ‘verrijking’, ‘verarming’ en ‘causaal verband’. Dit zijn volgens hem neutrale vereisten. Deze wil hij – gelet op de aanvullende functie die het verrijkingsrecht volgens hem heeft – zo ruim mogelijk uitleggen. Of aansprakelijkheid kan worden aangenomen, hangt af van de tweede groep vereisten: het ongerechtvaardigdheidsvereiste en het redelijkheidsvereiste. Aansprakelijkheid ontstaat pas indien de verrijking ongerechtvaardigd is, en bovendien slechts voor zover dit redelijk is. Van der Linden betoogt dat het zwaartepunt van het verrijkingsleerstuk behoort te liggen bij het ongerechtvaardigdheidsvereiste en het redelijkheidsvereiste waarin de beginselen van het privaatrecht een (normatieve) rol spelen. Het verrijkingsbeginsel is belichaamd in het ongerechtvaardigdheidsvereiste. Andere vermogensrechtelijke beginselen (zoals ‘ieder draagt zijn eigen schade’) werken door in de redelijkheidstoets.

      Van der Linden onderkent dat aan de eerste drie vereisten (‘verrijking’, ‘verarming’ en ‘causaal verband’) is voldaan in het geval van een vermogensverschuiving, dat wil zeggen dat de verrijkte gedaagde een voordeel geniet dat afkomstig is uit het vermogen van de eiser. Gelet op het vermogensrechtelijke uitgangspunt dat het vermogen iets is dat aan de rechthebbende toebehoort, past bij dergelijke verrijkingen dat deze een rechtvaardiging behoeven, net zoals is vereist in de regeling van de onverschuldigde betaling.18x Van der Linden 2019, par. 6.4.3. Een dergelijke rechtvaardiging kan worden gevormd door een overeenkomst of door de wet.

      Deze sine causa-benadering leidt tot lastige vragen in meerpartijenverhoudingen. Van der Linden meent dat wanneer de verrijkte gedaagde zijn verrijking (vanuit het gezichtspunt van de verrijkte) in eerste instantie aan een overeenkomst met een derde te danken heeft, deze overeenkomst in beginsel een rechtvaardiging vormt tegenover de verarmde eiser – ook als de verarmde eiser oorspronkelijk rechthebbende was van het uit zijn vermogen afkomstige ‘vermogensbestanddeel’ dat bij de verrijkte is terechtgekomen. Van der Linden betoogt dat de ratio van deze rechtvaardiging ligt in het feit dat de derde met werking tegenover de rest van de wereld zijn vermogen (dat wil zeggen, het vermogen van de derde) kan binden. In de opvatting van Van der Linden is de beschikkingsvrijheid van de derde doorslaggevend, ook tegenover de oorspronkelijke rechthebbende, in die zin dat de derde het vermogen van de oorspronkelijke rechthebbende bindt in de verhouding van de oorspronkelijke rechthebbende tot de verrijkte gedaagde. Dat is alleen anders als de ratio van de verrijkingsrechtelijke derdenwerking afwezig is, of wanneer deze derdenwerking tot onaanvaardbare uitkomsten leidt.19x Van der Linden 2019, par. 6.5.3 en 9.3.1.

      Ook de wet kan een rechtvaardiging opleveren. Ontleent de gedaagde zijn verrijking aan het stelsel van de wet, dan hangt het van de strekking van de wet af of de verrijking ongerechtvaardigd is. Beoogt de wet de in de vermogensverschuiving besloten liggende verrijking niet (per se) te legitimeren, dan is – behoudens een andere rechtvaardigingsgrond – sprake van een ongerechtvaardigde verrijking (natrekking is een klassiek voorbeeld). Strekt de wet daarentegen wel tot de vermogensverschuiving en verrijking, dan is de verrijking niet ongerechtvaardigd.20x Van der Linden 2019, par. 6.5.4. Desondanks kan volgens Van der Linden een verrijking toch ongerechtvaardigd zijn, indien de wet leidt tot een verrijking van de gedaagde ten koste van de eiser die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongerechtvaardigd is. Volgens Van der Linden moet de verrijkingsactie het recht via de aanvullende functie in dergelijke gevallen kunnen corrigeren.21x Van der Linden 2019, par. 6.5.4.4.

      Zowel bij de vraag of moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat een overeenkomst van de verrijkte met een derde de verrijking rechtvaardigt ten opzichte van de verarmde eiser uit wiens vermogen de verrijking afkomstig is, als bij de vraag of de verrijkingsactie de wet moet corrigeren, kunnen de ‘verrijkingsrechtelijke concepties van het verrijkingsbeginsel’ een rol spelen. In het bijzonder zijn van belang het principe dat iemand niet mag profiteren van zijn onereuze gedrag en het principe dat een verrijking die buiten de normale gang van zaken ligt met een kritisch oog moet worden bezien. Van der Linden betoogt dat aansprakelijkheid uit ongerechtvaardigde verrijking ook kan ontstaan in andere gevallen dan vermogensverschuivingen, zoals bij onzuiver handelen dat niet heeft geleid tot een vermogensverschuiving, maar wel tot een verrijking van de gedaagde en schade bij de eiser. In die gevallen is het ontbreken van een rechtvaardigingsgrond niet doorslaggevend. In dat geval zijn immers geen vermogensbestanddelen van de eiser gevloeid in het vermogen van de gedaagde die aan de eiser toebehoorden, zodat het ongerechtvaardigdheidsvereiste niet oplost in de vraag naar het al dan niet bestaan van een rechtvaardigingsgrond voor deze vermogensverschuiving.22x Van der Linden 2019, par. 6.4.3.

      In deze andere gevallen geldt volgens Van der Linden als uitgangspunt dat de verrijking niet ongerechtvaardigd is. Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden de verrijking een ongerechtvaardigd karakter geven. In gevallen waarin de verrijking is ontstaan door een gebeurtenis die veel weg heeft van een vermogensverschuiving, kan de sine causa-benadering analogisch worden toegepast.23x Van der Linden 2019, par. 6.4.3.2. En in gevallen waarin een gedaagde ten koste van de eiser heeft geprofiteerd van zijn onereuze gedraging, dan kan dit een aanwijzing zijn dat diens verrijking ongerechtvaardigd is.24x Van der Linden 2019, par. 6.4.3.1. Hetzelfde geldt als de gedaagde profiteert van activiteiten waarvan de negatieve gevolgen deels door de eiser gedragen worden.25x Van der Linden 2019, par. 6.4.3.1. En wanneer de verrijking buiten de normale gang van zaken ligt, dan moet met een kritisch oog worden bezien of de verrijking, gelet op de omstandigheden van het geval, is aan te merken als een ongerechtvaardigde verrijking.26x Van der Linden 2019, par. 6.4.3.1 en 6.6.

      De beschouwingen van Van der Linden over het redelijkheidsvereiste vormen een belangrijke bijdrage aan het debat over de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking. Van der Linden laat op overtuigende wijze zien dat het redelijkheidsvereiste een ontstaansvereiste is.27x Van der Linden 2019, par. 7.3.3. De invulling van het redelijkheidsvereiste wordt volgens hem in belangrijke mate bepaald door het systeem van het vermogensrecht en de daaraan ten grondslag liggende beginselen. Het ontstaan van aansprakelijkheid op grond van ongerechtvaardigde verrijking kan bijvoorbeeld niet redelijk zijn indien dit op gespannen voet zou staan met de autonomie van de verrijkte, met de contractsvrijheid, met de paritas creditorum, overwegingen van consumentenbescherming of derdenbescherming, of met een belangenafweging die ten grondslag ligt aan een specifieke wettelijke regeling.28x Van der Linden 2019, par. 7.4-7.11.

      Indien wordt aanvaard dat het redelijkheidsvereiste een ontstaansvereiste is, dan heeft dat consequenties voor het ontstaansmoment van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking. Het kan voorkomen dat het redelijkheidsvereiste pas wordt vervuld nadat alle andere vereisten zijn vervuld.29x Van der Linden 2019, par. 7.3.4. Een voorbeeld: in beginsel leidt een aan de gedaagde opgedrongen prestatie (zoals een ongevraagde verbetering van diens huis) die niet leidt tot een te gelde gemaakt voordeel niet tot diens verrijkingsaansprakelijkheid, omdat de redelijkheid zich ertegen verzet dat de verrijkte een betalingsverplichting wordt opgedrongen. Dat is anders wanneer de verrijkte zijn verrijking te gelde maakt en ook financieel van de prestatie profiteert. Pas op dat latere moment ontstaat de vordering en gaat de verjaringstermijn lopen. Ook voor de motiveringsplicht van de rechter kan het redelijkheidsvereiste als ontstaansvereiste consequenties hebben.

      2.5 Aanvulling onrechtmatigedaadsrecht

      Nadat Van der Linden de aan art. 6:212 lid 1 BW ten grondslag liggende beginselen en de invulling van de vereisten van dat artikel heeft besproken, gaat hij in op de vraag in hoeverre het verrijkingsrecht een aanvulling kan vormen op het contracten- en onrechtmatigedaadsrecht. Omwille van de ruimte beperk ik mij tot een bespreking van de laatste categorie.

      De mogelijkheid die Van der Linden ziet om op grond van art. 6:212 lid 1 BW niet alleen in gevallen van vermogensverschuivingen het ontstaan van een vordering te aanvaarden, maar ook in andere gevallen, schept volgens hem de ruimte om verrijkingen te redresseren die zijn ontstaan ten gevolge van gedrag dat weliswaar niet toerekenbaar onrechtmatig is, maar wel dusdanig onzuiver dat het ontstaan van een verplichting tot afdracht van met dat onzuivere gedrag behaalde voordelen geïndiceerd is.30x Van der Linden 2019, par. 10.6.1.

      Van der Linden illustreert deze opvatting met een aantal voorbeelden. Een daarvan betreft de verrijkingsrechtelijke aanvulling van het gevaarzettingsleerstuk in gevallen waarin de onderneming van de gedaagde het risico op schade bij derden vergroot op een wijze die niet onrechtmatig is en ook niet leidt tot risicoaansprakelijkheid. Als een winstgevende activiteit die wordt ontplooid met behulp van een nieuwe technologie (waardoor de bepalingen inzake risicoaansprakelijkheid niet van toepassing zijn) slechts een zeer geringe kans op schade met zich brengt, zodat zij jegens specifieke individuele partijen niet onrechtmatig is, maar op grond van de ‘wet van de grote getallen’ af en toe tot schade leidt, dan kan de ondernemer aansprakelijk zijn op grond van ongerechtvaardigde verrijking jegens de gelaedeerde. Van der Linden meent dat in dergelijke gevallen de schade behoort te worden gedragen door degene die het gevaar van schade in het leven heeft geroepen. De schade is – mede gelet op het feit dat geen sprake is van schuld – steeds gemaximeerd tot de winst van de gedaagde. Van der Linden betoogt dat deze verrijkingsrechtelijke aanvulling van het aansprakelijkheidsrecht het aansprakelijkheidsrecht kan verfijnen. Wanneer de ongerechtvaardigde verrijking ook als bron van delictuele aansprakelijkheid wordt beschouwd, hoeven de ‘bronnen van het onrechtmatige daadsrecht’ niet ruim te worden opgevat om te voorkomen dat de gedaagde ongerechtvaardigd wordt verrijkt ten koste van de gelaedeerde.31x Van der Linden 2019, par. 10.5.

    • 3 Commentaar

      Van der Linden beantwoordt de door hem geformuleerde onderzoeksvragen zo veel mogelijk aan de hand van positief Nederlands recht. Hij laat de vordering uit onverschuldigde betaling en meerpartijenverhoudingen daarbij grotendeels buiten beschouwing. Ook besteedt Van der Linden weinig aandacht aan buitenlandse rechtspraak en literatuur.32x Van der Linden 2019, par. 1.2.

      Dat is een opmerkelijke keuze. In nagenoeg alle rechtsstelsels wordt het leerstuk van de onverschuldigde betaling gerekend tot het domein van het verrijkingsrecht, terwijl de wenselijkheid van de precieze invulling van vereisten van de vordering uit onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking onder meer blijkt uit de uitkomsten in meerpartijenverhoudingen, waarbij de vraag centraal staat wie de insolventierisico’s ten aanzien van deze partijen dient te dragen. In buitenlandse wetenschappelijke literatuur zijn dergelijke meerpartijenverhoudingen uitvoeriger in kaart gebracht en bediscussieerd dan in de Nederlandse doctrine.33x Wel is goed begrijpelijk dat Van der Linden het EU-recht (waarin de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking zich ook ontwikkelt) buiten beschouwing laat, vooral gezien het recente proefschrift van Van de Mooswijk, Unjust Enrichment in EU Law (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018.

      Daarbij komt dat Van der Linden terecht signaleert dat het verrijkingsrecht – in tegenstelling tot veel andere leerstukken in het vermogensrecht – niet de focus legt op gedrag en normering daarvan, maar op de (on)gerechtvaardigdheid van een verrijking die ten koste van een ander is ontstaan, dus op een toestand34x Zie over dit onderscheid ook A.S. Hartkamp, Ongerechtvaardigde verrijking naast overeenkomst en onrechtmatige daad, WPNR 2001, afl. 6440-6441, p. 311-318 en 327-334. Dat maakt het, ook volgens Van der Linden, lastig om de plaats van het verrijkingsrecht in het privaatrecht te bepalen, alsmede de toepassingsvereisten van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.35x Van der Linden 2019, par. 10.4.1. Dit is ongetwijfeld ook de reden waarom de antwoorden op de door Van der Linden geformuleerde onderzoeksvragen door vele auteurs telkens verschillend worden beantwoord en geen sprake is van een heersende leer, noch van veel consistentie in de rechtspraak.36x Bijv. in HR 15 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2018, NJ 1997/3 (Van der Tuuk Adriani/Batelaan) nam de Hoge Raad wel een goodwillvergoeding op grond van art. 6:212 BW aan in het geval van de overgang van een patiëntenbestand van een apotheek van een plattelandsarts, maar in een nagenoeg identiek geval in HR 2 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9765, NJ 2001/319 (Hulsman/Van der Graaf) enkele jaren later niet, terwijl de Hoge Raad het verschil in uitkomst niet motiveert. In het recente Ruwaard van Putten-arrest (HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1493) geeft de Hoge Raad helemaal geen motivering: de cassatieklacht dat een goodwillvergoeding bij overgang van een patiëntenbestand moet worden betaald, wordt met toepassing van art. 81 Wet RO verworpen. En waar de Hoge Raad in HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6098, NJ 2008/120 (CFS/Stork) oordeelt dat aangezien geen sprake is van onrechtmatig gedrag er ook geen sprake kan zijn van ongerechtvaardigde verrijking, oordeelt het gerechtshof Amsterdam in zijn arresten van 27 november 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4331) en 16 juli 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:2580) dat ook als geen sprake is van onrechtmatig handelen, terwijl ook geen vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden en er zelfs geen schade is, er desondanks sprake kan zijn van een ongerechtvaardigde verrijking. In deze zaken oordeelt het hof voorts dat wanneer geen sprake is van eigendomsverkrijging van aandelen bij een frauduleuze aandelentransactie door de aangesproken partij, er toch een ongerechtvaardigde verrijking kan zijn, terwijl hetzelfde hof in zijn arrest van 17 december 2019 (nog niet gepubliceerd; zaaknr. 200.233.984) oordeelt dat er geen ongerechtvaardigde verrijking kan zijn opgetreden indien de aangesproken partij geen rechthebbende is geworden van op frauduleuze wijze ontvangen obligaties. Deze focus op positief Nederlands recht ter beantwoording van de onderzoeksvragen maakt het lastig om scherpe, voorspelbare antwoorden te formuleren.

      Het proefschrift van Van der Linden geeft niettemin op tal van plaatsen blijk van een oprechte wens om zowel in individuele gevallen tot aansprekende uitkomsten te komen als in zijn algemeenheid recht te doen op basis van een rechtssysteem dat zo veel als mogelijk rechtvaardig, toegankelijk, consistent en voorspelbaar is, en dat mede door het bestaan en de verdere ontwikkeling van het verrijkingsrecht wordt vormgegeven.

      Op basis van dit uitgangspunt formuleert Van der Linden antwoorden op zijn onderzoeksvragen en geeft hij de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking een zo ruim mogelijk toepassingsbereik. In het oog springt de door Van der Linden verdedigde toepasselijkheid van art. 6:212 BW in zowel gevallen van vermogensverschuivingen (waarbij ook volgens hem de sine causa-benadering past) als gevallen van onzuiver handelen (waarbij de sine causa-benadering niet past).

      De prijs die daarvoor wordt betaald, is dat de vereisten van art. 6:212 BW heel ruim moeten worden opgevat en niet eenvoudig op elkaar kunnen worden afgestemd. De vereisten van het artikel houden daardoor in zichzelf weinig voorspellende kracht. Telkens, althans in zeer veel gevallen, is het noodzakelijk terug te grijpen op een groot aantal rechtsbeginselen die tegen elkaar moeten worden afgewogen, zowel om vast te stellen of sprake is van een ‘verrijking’, ‘verarming’ en ‘causaal verband’ tussen verrijken en verarming, als om te beoordelen of een dergelijke verrijking ‘ongerechtvaardigd’ is en of een afdrachtsverplichting ‘redelijk’ is. Wanneer art. 6:212 BW daarentegen wel zou zijn beperkt tot vermogensverschuivingen (zoals in nagenoeg alle andere met het BW verwante rechtsstelsels), dan zou het gaan om een veel kleinere groep verrijkingen die ten koste van een ander zijn ontstaan (in het bijzonder: prestaties en inbreuken op exclusieve rechtsposities37x In iets minder sterk verrijkingsrechtelijk jargon, en iets minder zorgvuldig: absolute rechten. Zie over dergelijke inbreuken J.G.A. Linssen, Voordeelsafgifte en ongerechtvaardigde verrijking, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2001. ), en is het veel eenvoudiger om een daarop toegesneden ongerechtvaardigdheidsbegrip te formuleren.38x S.R. Damminga, Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling, Deventer: Kluwer 2014, par. 4.2.6.4 en 4.3.3.3. Of men bereid is deze prijs te betalen, hangt af van welk belang men toekent aan voorspelbaarheid respectievelijk flexibiliteit. De keuze van Van der Linden voor systematische flexibiliteit en zijn behoefte aan een grondslag voor Einzelfallgerechtigkeit acht ik zeer verdedigbaar, ook al heb ik in mijn eigen proefschrift een andere keuze gemaakt.39x Damminga 2014, par. 4.3.4.

      Wel houd ik aarzeling bij de gedachte dat een flexibel en ruim verrijkingsrecht als heilzaam effect heeft dat het overige vermogensrecht niet al te rekkelijk hoeft te worden uitgelegd. Ik geef persoonlijk de voorkeur aan het ontwikkelen van verfijningen en correcties binnen leerstukken die tekortschieten, in plaats van dat dergelijke tekortkomingen in stand blijven omdat een oplossing binnen het verrijkingsrecht kan worden gezocht.40x Damminga 2014, par. 7.2.3. Zo kan in het kader van de sanctie op unclean hands ook worden gedacht aan het verder ontwikkelen van het leerstuk van voordeelsafgifte op grond van art. 6:104 BW en, waar de vereisten van art. 6:104 BW niet zijn vervuld maar voordeelsafgifte vanwege onzuiver handelen wel wenselijk is, op basis van wat Van der Linden aanduidt als de Quint/Te Poel-benadering. In deze benadering kan op grond van art. 6:1 BW een verbintenis ontstaan ondanks dat een expliciete wetsbepaling daarvoor ontbreekt, omdat het ontstaan van een verbintenis aansluit bij gevallen die wel zijn geregeld. Aldus kan naar mijn mening op grond van art. 6:1 BW in verbinding met art. 6:162 en 6:104 BW een verbintenis tot voordeelsafgifte ontstaan in gevallen van onzuiver handelen, ook als geen sprake is van een vermogensverschuiving of zelfs van schade. Een voorbeeld is een civiele en dus afdwingbare verbintenis tot voordeelsafgifte in een geval als in het klassieke Goudse bouwmeester-arrest aan de orde was: op een gemeentearchitect die steekpenningen heeft aangenomen kan dan (in plaats van enkel een natuurlijke verbintenis) een afdwingbare verbintenis rusten om de steekpenningen af te dragen aan de gemeente, zelfs wanneer de gemeente geen schade heeft geleden.

      Bovendien bestaat aanleiding tot zorg dat de door Van der Linden verdedigde ‘ventielfunctie’ van het verrijkingsrecht – in het bijzonder ten aanzien van het onrechtmatigedaadsrecht – tot (het ongetwijfeld niet door hem bedoelde) gevolg kan hebben dat de rechter in de verleiding komt om de lat voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad te hoog te leggen. In mijn waarneming is in de rechtspraak een tendens te bespeuren waarin de rechter niet al te snel onzorgvuldig handelen aanneemt, hoewel daar veel voor valt te zeggen.

      Een aantal recente voorbeelden, op het snijvlak van het onrechtmatigedaadsrecht en het verrijkingsrecht: een bank die – naar in cassatie moet worden aangenomen – beschikt over meer dan voldoende zekerheden en alle (!) herstructureringsvoorstellen van een aandeelhouder niet serieus bestudeert en onmiddellijk afwijst (waaronder een voorstel tot bijstorting van kapitaal in de vorm van liquide middelen), en evenmin aangeeft onder welke voorwaarden zij bereid is de kredietrelatie te continueren, maar erop aanstuurt dat het meest winstgevende bedrijfsonderdeel waarop zij pandrechten heeft aan haar eigen private equity-dochter wordt verkocht (zodat de bank de facto een ‘onzuivere’ lucratieve transactie met zichzelf sluit, waardoor de aandeelhouder schade lijdt), handelt niet onzorgvuldig of in strijd met een contractuele zorgplicht, ondanks de contractuele afspraak van de bank met de aandeelhouder dat de bank alle mogelijke stappen zal zetten om in geval van financiële nood de vennootschap en aandeelhouder in staat te stellen de onderneming te redden;41x HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2300 en conclusie A-G, ECLI:NL:PHR:2018:1182, nr. 4.25. een curator (die in de meeste gevallen de facto de belangen behartigt van bevoorrechte en machtige crediteuren, zoals de overheid en banken) hoeft geen rekening te houden met de belangen van derden;42x HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1492 en conclusie A-G, ECLI:NL:PHR:2019:557, nrs. 2.55 en 2.56. en een wederpartij van een curator hoeft daarom evenmin rekening te houden met de belangen van derden – ook als het gaat om de overname van (patiënten van) dokterspraktijken in een failliet ziekenhuis, waarbij het verdienvermogen van artsen en zelfs levens en gezondheid van patiënten op het spel staan –, terwijl ook de vordering tot een goodwillvergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking wordt afgewezen.43x HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1493 en conclusie A-G, ECLI:NL:PHR:2019:617, nr. 2.54.

      In combinatie met hoge praktische obstakels voor rechtszoekenden (bijvoorbeeld in de vorm van hoge griffierechten en lange doorlooptijden) en uitgangspunten van het procesrecht die in de praktijk vaak theorie blijken te zijn (zoals het voorschrift van art. 21 Rv dat beide partijen de zaak volledig en naar waarheid naar voren brengen; dit is voor de rechter vaak reden om het bij een enkele schriftelijke ronde te laten, hetgeen in de praktijk een premie stelt op het voeren van chicaneuze verweren door de gedaagde – dus in de context van art. 6:162 en 6:212 BW de laedens c.q. verrijkte), dreigt vanwege deze tendens het gevaar dat het privaatrecht verwordt tot het recht van de sterkste.

      Alleen wanneer ervoor wordt gewaakt dat het bestaan van de mogelijkheid van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking een extra argument oplevert voor deze – naar mijn overtuiging onwenselijke – tendens in het onrechtmatigedaadsrecht, kan de door Van der Linden voorgestane (en op zichzelf sympathieke) aanvullende functie worden aanvaard.

    Noten

    • 1 Volledige titel en vindplaats: T. van der Linden, Aanvullend verrijkingsrecht (Meijers-reeks, nr. 121), Den Haag: Boom juridisch 2019.

    • 2 Van der Linden 2019, par. 1.2.

    • 3 Van der Linden 2019, par. 2.4.2.

    • 4 Van der Linden 2019, par. 2.5-2.10.

    • 5 Van der Linden 2019, par. 2.6.

    • 6 Van der Linden 2019, par. 2.8.

    • 7 Van der Linden 2019, par. 2.9.

    • 8 Van der Linden 2019, par. 2.10.

    • 9 Van der Linden 2019, par. 3.2.

    • 10 Van der Linden 2019, par. 3.3.

    • 11 Van der Linden 2019, par. 3.4.

    • 12 Van der Linden 2019, par. 3.5-3.6.

    • 13 Van der Linden 2019, par. 3.4.7. In deze zin ook: J.B.M. Vranken, De strijd om het nieuwe verrijkingsrecht. Literatuur versus rechtspraak, NJB 1998, afl. 33, p. 1495-1504.

    • 14 Van der Linden 2019, par. 4.2.

    • 15 Van der Linden 2019, par. 4.3.4.

    • 16 Zie ook art. 6:1 BW en het standaardarrest van de Hoge Raad in de zaak Quint/Te Poel (HR 30 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AI1600, NJ 1959/548).

    • 17 Van der Linden 2019, par. 4.3.5.

    • 18 Van der Linden 2019, par. 6.4.3.

    • 19 Van der Linden 2019, par. 6.5.3 en 9.3.1.

    • 20 Van der Linden 2019, par. 6.5.4.

    • 21 Van der Linden 2019, par. 6.5.4.4.

    • 22 Van der Linden 2019, par. 6.4.3.

    • 23 Van der Linden 2019, par. 6.4.3.2.

    • 24 Van der Linden 2019, par. 6.4.3.1.

    • 25 Van der Linden 2019, par. 6.4.3.1.

    • 26 Van der Linden 2019, par. 6.4.3.1 en 6.6.

    • 27 Van der Linden 2019, par. 7.3.3.

    • 28 Van der Linden 2019, par. 7.4-7.11.

    • 29 Van der Linden 2019, par. 7.3.4.

    • 30 Van der Linden 2019, par. 10.6.1.

    • 31 Van der Linden 2019, par. 10.5.

    • 32 Van der Linden 2019, par. 1.2.

    • 33 Wel is goed begrijpelijk dat Van der Linden het EU-recht (waarin de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking zich ook ontwikkelt) buiten beschouwing laat, vooral gezien het recente proefschrift van Van de Mooswijk, Unjust Enrichment in EU Law (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018.

    • 34 Zie over dit onderscheid ook A.S. Hartkamp, Ongerechtvaardigde verrijking naast overeenkomst en onrechtmatige daad, WPNR 2001, afl. 6440-6441, p. 311-318 en 327-334.

    • 35 Van der Linden 2019, par. 10.4.1.

    • 36 Bijv. in HR 15 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2018, NJ 1997/3 (Van der Tuuk Adriani/Batelaan) nam de Hoge Raad wel een goodwillvergoeding op grond van art. 6:212 BW aan in het geval van de overgang van een patiëntenbestand van een apotheek van een plattelandsarts, maar in een nagenoeg identiek geval in HR 2 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9765, NJ 2001/319 (Hulsman/Van der Graaf) enkele jaren later niet, terwijl de Hoge Raad het verschil in uitkomst niet motiveert. In het recente Ruwaard van Putten-arrest (HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1493) geeft de Hoge Raad helemaal geen motivering: de cassatieklacht dat een goodwillvergoeding bij overgang van een patiëntenbestand moet worden betaald, wordt met toepassing van art. 81 Wet RO verworpen. En waar de Hoge Raad in HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6098, NJ 2008/120 (CFS/Stork) oordeelt dat aangezien geen sprake is van onrechtmatig gedrag er ook geen sprake kan zijn van ongerechtvaardigde verrijking, oordeelt het gerechtshof Amsterdam in zijn arresten van 27 november 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4331) en 16 juli 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:2580) dat ook als geen sprake is van onrechtmatig handelen, terwijl ook geen vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden en er zelfs geen schade is, er desondanks sprake kan zijn van een ongerechtvaardigde verrijking. In deze zaken oordeelt het hof voorts dat wanneer geen sprake is van eigendomsverkrijging van aandelen bij een frauduleuze aandelentransactie door de aangesproken partij, er toch een ongerechtvaardigde verrijking kan zijn, terwijl hetzelfde hof in zijn arrest van 17 december 2019 (nog niet gepubliceerd; zaaknr. 200.233.984) oordeelt dat er geen ongerechtvaardigde verrijking kan zijn opgetreden indien de aangesproken partij geen rechthebbende is geworden van op frauduleuze wijze ontvangen obligaties.

    • 37 In iets minder sterk verrijkingsrechtelijk jargon, en iets minder zorgvuldig: absolute rechten. Zie over dergelijke inbreuken J.G.A. Linssen, Voordeelsafgifte en ongerechtvaardigde verrijking, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2001.

    • 38 S.R. Damminga, Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling, Deventer: Kluwer 2014, par. 4.2.6.4 en 4.3.3.3.

    • 39 Damminga 2014, par. 4.3.4.

    • 40 Damminga 2014, par. 7.2.3.

    • 41 HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2300 en conclusie A-G, ECLI:NL:PHR:2018:1182, nr. 4.25.

    • 42 HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1492 en conclusie A-G, ECLI:NL:PHR:2019:557, nrs. 2.55 en 2.56.

    • 43 HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1493 en conclusie A-G, ECLI:NL:PHR:2019:617, nr. 2.54.

Reageer

Tekst