Autonomie: geen recht zonder verantwoordelijkheid

DOI: 10.5553/CJB/221132662015004001001
Artikel

Autonomie: geen recht zonder verantwoordelijkheid

Trefwoorden Koninkrijksrecht, staatsstructuur, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, Koninkrijksaangelegenheden, autonomie
Auteurs
DOI
Bron
Open_access_icon_oaa
  • Toon PDF
  • Toon volledige grootte
  • Auteursinformatie

    Mr. R.R. Santos do Nascimento

    Mr. R.R. Santos do Nascimento is momenteel werkzaam als wetenschappelijk assistent Staatsrecht aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Aruba en werkt aan een dissertatie over de positie van Aruba binnen het Koninkrijk.

  • Statistiek

    Dit artikel is keer geraadpleegd.

    Dit artikel is 0 keer gedownload.

  • Citeerwijze

    Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel

    Mr. R.R. Santos do Nascimento, 'Autonomie: geen recht zonder verantwoordelijkheid', CJB 2015, p. 3-16

    Download RIS Download BibTex

    • 1. Inleiding

      Tijdens het Koninkrijkssymposium, De meerwaarde van het Koninkrijk der Nederlanden, gehouden op 25 juni 2012 in Aruba, was Herman Tjeenk Willink, de voormalige vicevoorzitter van de Raad van State, aanwezig als een van de sprekers. De titel van zijn bijdrage was: ‘De wereld verandert! En het Koninkrijk?’. De belangrijke boodschap in zijn zeer interessante betoog was dat in de sterk globaliserende wereld nationale soevereiniteit en onafhankelijkheid achterhaalde begrippen zijn en dat zelfstandigheid in deze wereld sterk afhankelijk is van het op orde hebben van de eigen zaken. Het bewaren van je zelfstandigheid in deze wereld vergt een dynamisch en bestuurskrachtig overheidsapparaat, dat een helder doel voor ogen heeft en dat dit doel proactief wil verwezenlijken.

      Wanneer deze zienswijze in verband wordt gebracht met de verhouding van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten onderling in het Koninkrijk, rijst de vraag of het Statuut een dergelijke proactieve houding van de Landen ook toestaat, of dat het Statuut wellicht aangepast zou moeten worden aan de tijd. Bij deze vraag wil ik stilstaan en daarbij de hypothese hanteren dat de Arubaanse autonomie geen recht is, maar een plicht.

      In deze tekst wil ik eerst ingaan op de gangbare visie op de autonomie van de Landen. Vervolgens zal er worden ingegaan op de (statutaire) grenzen van deze autonomie. Tot slot zal een tentatief antwoord worden gegeven op de vraag of het Statuut in het kader van de autonomie van de Landen ook een proactieve houding van de Landen toestaat.

    • 2. Een statisch autonomiebegrip?

      Vaak wordt er in de literatuur een beeld van de autonomie van de Landen geschetst dat voortvloeit uit een (quasi)federale visie op de structuur van het Koninkrijk. Deze visie op de structuur kenmerkt zich door een onderscheid dat wordt gemaakt tussen het Koninkrijk als aparte bestuurslaag, waaraan Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten ondergeschikt zijn. Ten opzichte van elkaar hebben Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten dan een nevengeschikte positie. Deze structuurbenadering heeft als voordeel dat men zich in het Koninkrijk een aanvaardbare hiërarchische structuur kan voorstellen: de Caribische Landen van het Koninkrijk zijn niet ondergeschikt aan Nederland, maar aan het Koninkrijk. Door deze benadering kan het Statuut gezien worden als het juridisch document dat het einde van kolonialisme in de West markeert.

      Naast het beeld van het Koninkrijk als een aparte bestuurslaag, wordt er vaak betoogd dat het Statuut een bevoegdheidsverdeling geeft. Reden voor deze bevoegdheidsverdeling wordt gezocht in de nieuwe, aanvaardbare verhouding tussen het Koninkrijk en de Caribische Landen van het Koninkrijk, waarbij sprake is van discontinuïteit van de oude koloniale verhoudingen. Illustratief is hiervoor de volgende passage uit een tekst van Logemann:

      ‘(…) het Koninkrijk der Nederlanden [is] in zijn nieuwe vorm geen eenheidsstaat (…), maar [vertoont] sterk federale trekken (…). Het statuut dient niet in de laatste plaats om de sfeer der “eigen aangelegenheden” der landen binnen die sfeer te waarborgen. Daarmee valt het accent veel meer dan in de Nederlandse verhoudingen op het karakter van het statuut als competentieregeling. Hier staan partijen in een pact tegenover elkaar en het is niet zo maar natuurlijk, dat de eerbiediging van hun rechten uit het pact weerloos staat tegenover een rijkswetgever, die praktisch is het orgaan van een der partijen, met raadgevende stem bijgestaan door vertegenwoordigers der andere partijen [cursivering RSdN].’1xJ.H.A. Logemann, ‘De hiërarchie der wettelijke regelingen in het statuut’, NJB 1955, p. 439.

      De discontinuïteit van de oude verhoudingen is hier een ‘nieuwe vorm’ voor het Koninkrijk der Nederlanden, waarin het Koninkrijk voor wat betreft zijn structuur ‘sterk federale trekken vertoont’ en waarin partijen ‘rechten’ hebben die moeten worden beschermd tegenover een ‘rijkswetgever’. Dit antagonistisch beeld van de verhoudingen in het Koninkrijk komt in de literatuur vaak voor. Een gelijksoortig beeld vinden we in een passage waarin Hoogers stelt dat het Statuut een emancipatieregeling is: ‘zij beoogde de Nederlandse koloniën ten opzichte van Nederland te verzelfstandigen.’2xH.G. Hoogers&F. de Vries, Hoofdlijnen Arubaansstaatsrecht, Zutphen: Walburg Pers 2002, p. 38.

      Het is naar mijn mening tegen de achtergrond van deze veronderstelde dekolonisatie dat verschillende auteurs een grote nadruk leggen op enerzijds een (quasi)federale structuur van het Koninkrijk en anderzijds een strikte scheiding van bevoegdheden. Deze scherpe scheiding ziet men duidelijk in de volgende passages uit een tekst van Hoogers:

      ‘De (…) fundamentele uitgangspunten van het Statuut (…) [ wijzen] in de richting van een min of meer federale structuur. (…) Ten slotte zijn de bevoegdheden van de federatie strikt gescheiden van die van de deelstaten en bovendien limitatief opgesomd in het Statuut zelf.’3xHoogers & De Vries 2002, p. 38.

      En:

      ‘(…) het Statuut [gaat] uit van een opsomming van bevoegdheden die aan het Koninkrijk toekomen.’4xHoogers & De Vries 2002, p. 41.

      Nog een voorbeeld is de volgende stelling van Borman: ‘wat des Koninkrijks is wordt gedaan door Koninkrijksorganen, wat des lands is door landsorganen.’5xC. Borman, Het Statuut voor het Koninkrijk (Studiepockets Staats- en bestuursrecht, nr. 34; 2e druk), Deventer: Kluwer 2005, p. 78.

      De vraag is vervolgens waar deze bevoegdheidsverdeling in het Statuut wordt teruggevonden. Croes stelt dat onder Koninkrijksaangelegenheden onderwerpen vallen die door Koninkrijksorganen (bestuurlijk en regelgevend) of in ieder geval onder de verantwoordelijkheid van deze organen worden verzorgd. Hiertegenover staan Landsaangelegenheden als onderwerpen die door Landsorganen of onder de verantwoordelijkheid van deze organen worden verzorgd. Croes meent dat het dragen van de verantwoordelijkheid voor een Koninkrijksaangelegenheid, dan wel een Landsaangelegenheid een exclusieve zaak is: de verplaatsing van verantwoordelijkheid voor een bepaalde Koninkrijksaangelegenheid naar een Landsorgaan betekent tegelijkertijd dat de desbetreffende Koninkrijksaangelegenheid verandert in een Landsaangelegenheid.6xVgl. A.G. Croes, De herdefiniëring van het Koninkrijk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2006, p. 29. Deze exclusieve aard van de verantwoordelijkheid en rechten ten aanzien van deze aangelegenheden rechtvaardigt hun kwalificatie als bevoegdheden of competenties. Voor Koninkrijksaangelegenheden wordt deze exclusiviteit gevonden in artikel 3 lid 1 Statuut, aangezien de officiële toelichting bij deze bepaling het volgende stelt:

      ‘De behartiging van deze aangelegenheden geschiedt onder verantwoordelijkheid van de organen van het Koninkrijk. Zij zal ook geschieden door deze organen, voor zover niet de inschakeling van een landsorgaan doelmatig is.’7xKamerstukken II 1953/54, 3517, 2 (bijlage), p. 10.

      De grondslag voor exclusiviteit met betrekking tot Landsaangelegenheden vindt men in artikel 41 lid 1 Statuut,8xVgl. Croes 2006, p. 26. waarin (thans) is bepaald dat ‘Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten (…) zelfstandig hun eigen aangelegenheden [behartigen]’.

      De exclusiviteit zit hier in de ‘zelfstandigheid’ genoemd in het eerste lid. In de zelfstandigheid wordt de eindverantwoordelijkheid van de Landen gezien voor de behartiging van hun eigen aangelegenheden. Omdat de Landsaangelegenheden – in tegenstelling tot Koninkrijksaangelegenheden – in het Statuut niet worden opgesomd, vallen (in de federale benadering) onder deze aangelegenheden vanuit het oogpunt van de systematiek van het Statuut bezien ‘alle overige aangelegenheden.’9xCroes 2006, p. 26. Zie ook Hoogers & De Vries 2002, p. 41.

      De constructie ziet er als volgt uit: bepaalde onderwerpen/aangelegenheden worden gekwalificeerd als bevoegdheden vanwege een exclusief ‘handelingsrecht’ ten aanzien van deze aangelegenheden. Hierdoor ontstaan er in principe twee soorten bevoegdheden: de Koninkrijksaangelegenheden en de Landsaangelegenheden. Vervolgens worden de Koninkrijksaangelegenheden tegenover de Landsaangelegenheden geplaatst; zij vormen twee exclusieve sferen. De Landen hebben een eigen exclusieve sfeer en het Koninkrijk heeft een eigen exclusieve sfeer. De exclusiviteit zorgt ervoor dat de sferen elkaar niet overlappen; immers, de Landen behartigen hun eigen aangelegenheden met uitsluiting van de Koninkrijksorganen en Koninkrijksorganen behartigen Koninkrijksaangelegenheden met uitsluiting van de Landen.

    • 3. Exclusiviteit van bevoegdheden

      Zonder in te gaan op de historische merites van het uitgangspunt dat het Statuut een (geslaagd) dekolonisatiedocument is, valt mij op dat deze quasifederale benadering van het Statuut en het Koninkrijk een grote nadruk legt op exclusiviteit. In dit beeld staat het Koninkrijk – dat ‘praktisch’, maar niet juridisch wordt gelijkgesteld aan Nederland – tegenover de Caribische Landen van het Koninkrijk. Zo bezien lijkt het uitgangspunt van het Statuut eerder een wantrouwen te zijn van de partners tegenover elkaar, in plaats van een vertrouwen.

      Als dat zo is, vraag ik mij af of deze (quasi)federale benadering wel gezond is voor een Koninkrijk dat de pretentie heeft een eenheid te zijn. Men ziet bijvoorbeeld wel dat de regering en de Staten(-Generaal) aparte organen zijn, en dat zij aparte functies en bevoegdheden hebben, maar het uitgangspunt dat hun arbeid vruchtbaar en duurzaam kan maken, wordt aangeduid met de term ‘vertrouwensbeginsel’. Dit beginsel komt erop neer dat zonder wederzijds vertrouwen een vruchtbare en duurzame samenwerking onmogelijk is en bij verlies van vertrouwen de samenwerking geen stand kan houden. Het zou daarom nadelig zijn als het Statuut uitgaat van wantrouwen in plaats van vertrouwen, van verdelen in plaats van delen en van exclusiviteit in plaats van inclusiviteit.

      Kortom, hoewel autonomie belangrijk is, lijkt mij samenwerking een hoger doel en al is het noodzakelijk om eigen bevoegdheden te hebben en om de eigen broek te kunnen ophouden, gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen en elkaar helpen is echter een hoger goed.

      De vraag die ik hier aldus aan de orde wil stellen, is of het Statuut daadwerkelijk uitgaat van wantrouwen in plaats van vertrouwen, van zelfstandigheid in plaats van samenwerking. En als het Statuut inderdaad uitgaat van wantrouwen, exclusiviteit en enkel de bescherming van de eigen sfeer is het Statuut in een globaliserende wereld waarin niet meer co-existentie, maar coöperatie centraal staat, dan niet toe aan een herziening dan wel een ‘herdefiniëring’?

      3.1 Waardering van de bevoegdheidsverdeling (I): de reikwijdte van Koninkrijksaangelegenheden

      De (quasi)federale benadering van de bevoegdheidsverdeling die zich kenmerkt door exclusiviteit, is niet geheel onproblematisch. In het Statuut ontstaat er naar de mening van Croes een overlap tussen Koninkrijksaangelegenheden en Landsaangelegenheden. Croes signaleert dat Koninkrijksaangelegenheden geen statische onderwerpen zijn, waarvoor een exclusieve handelingsbevoegdheid bestaat. Koninkrijksaangelegenheden zijn ‘containerbegrippen’ en hebben daarmee een dynamisch karakter. Met ‘containerbegrippen’ bedoelt hij dat Koninkrijksaangelegenheden onderwerpen zijn waaronder verschillende beleidsterreinen ressorteren.10xCroes 2006, p. 29. De problematiek die hier ontstaat, illustreert Croes aan de hand van de waarborgfunctie van het Koninkrijk (art. 43 lid 2 Statuut) en de buitenlandse betrekkingen, die ingevolge artikel 3 lid 1 sub b Statuut een Koninkrijksaangelegenheid zijn:

      ‘De beleidsterreinen in een moderne staat laten zich niet absoluut scheiden er is steeds meer sprake van vervlechting van beleidsterreinen. In Koninkrijksverband doorkruist bijvoorbeeld de Koninkrijksaangelegenheid van artikel 43 lid 2 Statuut (de waarborgfunctie van het Koninkrijk) de strikte afbakening. De aard en reikwijdte van deze bepaling strekt zich uit tot alle terreinen van overheidszorg in de Caribische rijksdelen. Hetzelfde geldt ook voor de Koninkrijksaangelegenheid ‘buitenlandse betrekkingen’. Ook deze Koninkrijksaangelegenheid (een containerbegrip) heeft betrekking op alle lands- en eilandsaangelegenheden indien sprake is van een internationale dimensie. En dit is steeds meer het geval. Zolang het Koninkrijk in extern verband de verantwoordelijkheid draagt voor hetgeen binnen het gehele Koninkrijk, inclusief de Caribische rijksdelen geschiedt, kan er geen sprake zijn van “no go areas” voor de organen van het Koninkrijk.’11xCroes 2006, p. 65.

      Het voorbeeld van de waarborgfunctie ex artikel 43 lid 2 Statuut illustreert dat in het Statuut gekozen is voor een – bestuurlijke in plaats van een rechterlijke – toezichtsvorm gekoppeld aan containerbegrippen die zich op voorhand uitstrekken over ‘alle terreinen van overheidszorg in de Caribische rijksdelen’. Dit is problematisch omdat de Koninkrijkssfeer – als het gaat om het waarborgen van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur – de autonome sfeer van de Landen in hun totaliteit dekt. Dit is volgens Croes een fundamentele afwijking van het federale uitgangspunt dat het Statuut hanteert.12xCroes 2006, p. 61. De organisatorische keuze voor deze vorm van toezicht tast aldus de betekenis van Koninkrijksaangelegenheden aan als exclusieve bevoegdheden. Immers, waar de overlap plaatsvindt, zal er eerder sprake zijn van gedeelde bevoegdheden dan van verdeelde bevoegdheden.

      Het voorbeeld van de buitenlandse betrekkingen illustreert het dynamisch karakter van de Koninkrijksaangelegenheden; dit dynamisch karakter zorgt ervoor dat het bereik van deze onderwerpen kan groeien en op een zodanige wijze dat er een overlap ontstaat tussen Koninkrijksaangelegenheden en Landsaangelegenheden. Wanneer zulk een overlap ontstaat, wordt de betekenis van Koninkrijksaangelegenheden als exclusieve bevoegdheden aangetast. Dit is echter niet het gevolg van een organisatorische keuze, maar het gevolg van het dynamisch karakter van de Koninkrijksaangelegenheden zelf.

      Daarnaast blijkt ook uit de organisatorische keuzes die gemaakt zijn in het Statuut bij de behartiging van de Koninkrijksaangelegenheden dat er geen strikte waterscheiding bestaat tussen het Koninkrijk en de Landen. Wat des Koninkrijks is, blijkt ook des lands te zijn.

      De tweede paragraaf van het Statuut inzake ‘De behartiging van de aangelegenheden van het Koninkrijk’ staat, blijkens haar opschrift, geheel in het teken van operationalisering van het begrip ‘Koninkrijksaangelegenheden’. De officiële toelichting stelt ook uitdrukkelijk bij artikel 6 dat ‘[d]e regelingen, welke bij de behartiging van deze aangelegenheden in acht moeten worden genomen, zijn neergelegd in de artikelen 6 en volgende’.

      Artikel 6 luidt als volgt:

      ‘Artikel 6 Statuut
      1. De aangelegenheden van het Koninkrijk worden in samenwerking van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten behartigd overeenkomstig de navolgende bepalingen.
      2. Bij de behartiging van deze aangelegenheden worden waar mogelijk de landsorganen ingeschakeld.’

      Aangelegenheden van het Koninkrijk worden hier gepresenteerd als onderwerpen/belangen die in samenwerking tussen de Landen onderling worden behartigd. Verder bepaalt artikel 6 dat het Statuut in de navolgende bepalingen die samenwerking reguleert. Ook gaat het artikel niet uit van de exclusiviteit van het Koninkrijk. Deze aangelegenheden kunnen immers geen exclusieve bevoegdheid van het Koninkrijk zijn, wanneer ‘waar mogelijk de landsorganen ingeschakeld’ worden.13xVgl. ook de officiële toelichting bij artikel 3 Statuut, Kamerstukken II 1953/54, 3517, 2 (bijlage), p. 10. In de plaats daarvan is de inachtneming van bepaalde procedureregels hier een principiële zaak. Ziet de officiële toelichting dit anders? Zij stelt hierbij het volgende:

      ‘Dit artikel is een inleidende bepaling voor deze gehele paragraaf. Het geeft aan de grondgedachte, waarvan de volgende artikelen de concrete uitwerking zijn.
      Koninkrijk en landen zijn geen gescheiden grootheden, al kunnen zij uiteraard worden onderscheiden. Het eerste lid van het artikel drukt uit, dat het Koninkrijk een rechtsband vormt, welke beschouwd kan worden als de gebonden samenwerking der landen. In het tweede lid wordt een andere consequentie van deze grondgedachte neergelegd, te weten, dat de landen – derhalve de landsorganen – zoveel mogelijk bij de behartiging der Koninkrijksaangelegenheden worden ingeschakeld. Dit wordt nader uitgewerkt in de volgende artikelen. Met name mag gewezen worden op de artikelen 14 (het opdragen of overlaten aan de landen), 25, 26 en 30. De pendant van deze bepaling is neergelegd in artikel 41, terwijl artikel 6 de positie van de landen t.a.v. Koninkrijksaangelegenheden beschouwt vanuit het Koninkrijk, doet artikel 41 dit vanuit de landen [cursivering RSdN].’14xKamerstukken II 1953/54, 3517, 2 (bijlage), p. 11.

      Volgens de toelichting gaat de systematiek van het Statuut uit van een koppeling tussen artikel 6 en 41 Statuut. Hierdoor komt de ‘behartiging van de aangelegenheden van het Koninkrijk’ te staan tegenover de behartiging van de ‘zelfstandige (…) aangelegenheden’. Bedoelt de toelichting hier een federaalachtige competentieverdeling te bewerkstelligen? Absoluut niet. De toelichting stelt zeer uitdrukkelijk dat het Koninkrijk een rechtsband vormt. Deze rechtsband moet niet worden opgevat als een gescheiden grootheid, maar als ‘gebonden samenwerking der landen’. Volgens de toelichting staat in het Statuut niet het Koninkrijk als entiteit tegenover de Landen, maar is het Koninkrijk een juridische band tussen de Landen. Volgens de toelichting is dit het uitgangspunt, de grondgedachte, van het Statuut.

      In artikel 6 wordt het begrip ‘aangelegenheden van het Koninkrijk’ geoperationaliseerd, niet als bevoegdheid in federale zin, maar als activering van de ‘gebonden samenwerking’. Interessant wordt nu de vraag hoe het Statuut de participatie van de Overzeese Landen van het Koninkrijk regelt in deze ‘aangelegenheden van het Koninkrijk’. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen bestuur en wetgeving.

      Het Statuut geeft voor wat betreft een Caribische participatie aan de besluitvorming met betrekking tot dit bestuur regels in artikel 7 tot en met 12. De officiële toelichting stelt ten aanzien van deze artikelen dat zij ‘de deelneming van de landen aan de regering van het Koninkrijk [regelen]’.15xKamerstukken II 1953/54, 3517, 2 (bijlage), p. 11. In artikel 7 Statuut wordt bepaald dat ‘[d]e raad van ministers van het Koninkrijk is samengesteld uit de door de Koning benoemde ministers en de door de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten benoemde Gevolmachtigde Minister.’ Artikel 8 Statuut drukt uit dat de Gevolmachtigde Ministers de regeringen van hun Landen vertegenwoordigen, ‘die hen benoemen en ontslaan.’ In artikel 10 lid 1 Statuut wordt bepaald dat de Gevolmachtigde Minister aan twee vereisten moet voldoen om aan de vergaderingen van de raad en van de vaste colleges en bijzondere commissies uit de raad te mogen deelnemen. In de eerste plaats moet het overleg in de raad ‘aangelegenheden van het Koninkrijk’ betreffen en in de tweede plaats moet het onderwerp van het overleg het Land van de desbetreffende Gevolmachtigde Minister ‘raken’. Waarbij voor de inhoud van het begrip ‘raken’ artikel 11 Statuut een aantal aanwijzingen geeft.

      De indruk die deze regeling wekt, is dat Koninkrijksaangelegenheden algemeen bezien altijd Landsaangelegenheden zijn, maar in de specifieke gevallen niet altijd tot de belangen van alle Landen behoren. Aangezien artikel 6 Statuut alleen de Landen, waaronder ook Nederland, als partijen in het Koninkrijk noemt en Nederland als partij in de gehele regeling van artikel 7 tot en met 12 Statuut afwezig is, lijkt het Statuut hier stilzwijgend de Nederlandse participatie te veronderstellen door middel van de (pre-statutaire, grondwettelijke) organen die de Koninkrijksaangelegenheden behartigen. In artikel 12 Statuut komt niet alleen de samenval van Nederland met de ‘organen van het Koninkrijk’, maar ook de betekenis van het begrip ‘aangelegenheden van het Koninkrijk’ en het karakter van de participatie van de Landen in het Koninkrijk (als overeenkomst) in volle omvang tot uitdrukking. Artikel 12 lid 1 Statuut luidt namelijk als volgt:

      ‘Indien de Gevolmachtigde Minister van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, onder aanwijzing van de gronden, waarop hij ernstige benadeling van zijn land verwacht, heeft verklaard, dat zijn land niet ware te binden aan een voorgenomen voorziening, houdende algemeen bindende regelen, kan de voorziening niet in dier voege, dat zij in het betrokken land geldt, worden vastgesteld, tenzij de verbondenheid van het land in het Koninkrijk zich daartegen verzet.’

      In deze bepaling wordt duidelijk welke belangen in het Koninkrijk en in het bijzonder in de raad van ministers tegenover elkaar staan, namelijk het Landsbelang van de respectievelijke Caribische Landen tegenover het Koninkrijksbelang. De officiële toelichting stelt daarom dat:

      ‘[d]e bepaling van dit artikel (…) tot de meest gewichtige punten van het Statuut [behoort]. Hierin ligt de waarborg, dat de belangen van Suriname en de Nederlandse Antillen [lees thans: Aruba, Curaҫao en Sint Maarten; RSdN] tot hun recht komen, terwijl er tevens voor gewaakt is, dat de eenheid van het Koninkrijk bewaard blijft.’16xKamerstukken II 1953/54, 3517, 2 (bijlage), p. 11.

      Vervolgens geeft artikel 12 Statuut twee voorzieningen die moeten garanderen dat de belangen van de Caribische Landen veiliggesteld blijven.

      De eerste voorziening is de bevoegdheid aan de Gevolmachtigde Minister om gemotiveerd te verklaren dat een bepaalde regeling zijn Land niet juridisch zou moeten verbinden, omdat hij anders ‘ernstige benadeling van zijn land verwacht’. Het rechtsgevolg van deze verklaring is dat de regeling die algemeen verbindende voorschriften geeft, niet mag worden vastgesteld voor het Land van de ‘klagende’ Gevolmachtigde Minister, oftewel dat Land niet mag binden. Op deze wijze kan het belang krachtig verwoord worden in de raad van ministers, maar het eindoordeel blijft toekomen aan de raad van ministers. De vrijheid die de raad van ministers heeft bij het (be)oordelen, wordt ingeperkt door de verklaring, maar als de raad van ministers van oordeel is dat ‘de verbondenheid van het land in het Koninkrijk’ vergt dat de regeling ook in het Land van de ‘klagende’ Gevolmachtigde Minister zal gelden, dan zal de beslissing om ook dit Land te binden aan de regeling, rechtmatig zijn. De raad van ministers behartigen immers het Koninkrijksbelang.

      De vraag die hierbij rijst, is wat de betekenis is van het feit dat de raad van ministers het Koninkrijksbelang behartigen. Beziet men de regeling vanuit federaal perspectief, dan wordt hier een uiterst onwenselijke situatie geregeld: de raad van ministers is een gezamenlijk college waarin structureel de Caribische Landen overgeleverd worden aan het oude moederland. Of nog erger, de raad van ministers van het Koninkrijk is een Nederlands orgaan dat verheven is tot Koninkrijksorgaan, maar die in dit verband enige invloed van de Caribische Landen moet dulden. Erg groot is die invloed niet, aangezien de Caribische Landen alleen toegang hebben tot de vergaderingen wanneer het te behandelen onderwerp niet alleen een Koninkrijksaangelegenheid is, maar ook hen ‘raakt’ (vgl. art. 10 lid 1 jo. art. 11 Statuut).17xVgl. H.F. Munneke, ‘Het Koninkrijk der Federalismen’, in: D.J. Elzinga e.a. (red.), Federalisme (Publicaties van de Staatsrechtkring, nr. 3_, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, p. 62: ‘De ongelijkheid in de statutaire constructie is daarin gelegen dat de statutaire koninkrijksorganen ter behartiging van gemeenschappelijke belangen in feite Nederlandse staatsorganen zijn, die zich – verdragskwesties (art. 25 en 26 Statuut) daargelaten – voor de gelegenheid enige inspraak van overzee hebben moeten laten welgevallen. Ik gebruik met opzet de term “inspraak” aangezien de procedures van besluitvorming over wetgeving en bestuur zodanig opgezet zijn dat zij niet door de overzeese landen geblokkeerd kunnen worden. De ingevolge het Statuut bestaande “rijkswetten” en “algemene maatregelen van rijksbestuur” zijn ook niet meer dan Nederlandse (lands)wetten en maatregelen waaromtrent (de vertegenwoordigers van) overzeese staatsorganen hun mening hebben kunnen geven.’

      Beziet men echter het alternatief van het Koninkrijk als samenwerkingsovereenkomst, dan ontstaat er een ander beeld. In het Statuut is dan het Koninkrijksbelang een deelbelang van de Landen. Dat betekent dat, zodra de raad van ministers van het Koninkrijk een Koninkrijksbelang behartigt, de participatie van welk Land dan ook in de raad van ministers een behartiging is van tegelijkertijd het eigen Landsbelang en het Koninkrijksbelang. Met andere woorden, het maakt dan niet uit wie het Koninkrijksbelang behartigt, als het belang maar behartigd wordt, want pas als het belang behartigd wordt, zal ieder Land daar profijt van hebben. Participatie van de Overzeese Landen bij de behartiging van de Koninkrijksbelangen wordt pas relevant wanneer een individueel Landsbelang tegenover een gemeenschappelijk (Koninkrijks)belang komt te staan. In dat geval is er een afweging nodig tussen de tegenover elkaar staande belangen, hetgeen ook in artikel 12 Statuut tot uitdrukking wordt gebracht.

      Samenwerking is aldus compatibel met de opdracht van de behartiging van gemeenschappelijke belangen aan een van de partijen. Doelmatigheid zal in casu dan Nederland als partij met de beste infrastructuur en know how aanwijzen als de uitverkoren kandidaat voor deze taak. Deze samenwerkingsvorm is dientengevolge veel minder onwenselijk dan de federale oplossing met een Nederlands overwicht.

      Een gelijksoortig samenwerkingsbeeld vinden we ook terug op het gebied van wetgeving op Koninkrijksniveau. Ten aanzien van de Caribische participatie regelt het Statuut op hoofdlijnen in het kader van Koninkrijkswetgeving het volgende. In artikel 15 Statuut wordt bepaald dat ‘een ontwerp van rijkswet gelijktijdig met de indiening bij de Staten-Generaal aan de vertegenwoordigende lichamen’ van de Caribische Landen wordt toegezonden. Alle vertegenwoordigende lichamen worden zodoende in de gelegenheid gesteld om te onderzoeken of en hoe de belangen van hun respectievelijke Landen door de regeling getroffen zullen worden. Voor zover de regeling in een Caribisch Land zal gelden, wordt het vertegenwoordigend lichaam van dat Land in de gelegenheid gesteld om verslag uit te brengen omtrent het ontwerp (art. 16 Statuut). Artikel 17 Statuut stelt zowel de regeringen als de vertegenwoordigende lichamen van de respectievelijke Caribische Landen waarin de regeling zal gelden in de gelegenheid om middels de Gevolmachtigde Ministers respectievelijk bijzondere gedelegeerden tijdens de mondelinge behandeling in zowel de Tweede als Eerste Kamer hun ‘Caribische’ visie op het ontwerp te geven en eventueel wijzigingen in het behandelde ontwerp voor te stellen. De Gevolmachtigde Minister, en eventueel de bijzondere gedelegeerde, verkrijgt nog de mogelijkheid om voor de eindstemming zich omtrent het voorstel uit te spreken. Is de Gevolmachtigde Minister tegen het voorstel, dan kan hij verzoeken om de stemming aan te houden tot de volgende vergadering (art. 18 Statuut).

      3.2 De waardering van de bevoegdheidsverdeling (II): de reikwijdte van de autonomie van de landen

      Autonomie is in haar kern het door middel van eigen organen verzorgen van wetgeving en bestuur (en rechtspraak).18xRechtspraak zal echter in het verdere verloop van dit betoog buiten beschouwing worden gelaten, daar dit een geheel eigen problematiek met zich brengt die buiten de strekking van deze bijdrage valt. Zo benaderd, kan ten aanzien van de rechten van de Landen worden vooropgesteld dat zij het recht hebben om interne aangelegenheden zelfstandig te verzorgen (art. 41 lid 1 Statuut). Echter, om een compleet beeld te verkrijgen van de autonomie van de Landen moet niet alleen gekeken worden naar de rechten van de Landen, maar ook naar de plichten die het Statuut aan hen ten aanzien van hun zelfstandig handelen oplegt. In het navolgende wil ik even stilstaan bij een aantal van deze verplichtingen.

      In de vierde paragraaf bepaalt het Statuut niet alleen dat de Landen hun interne aangelegenheden zelfstandig verzorgen, maar stelt het ook enige kaders aan de ‘vrije’ besluitvorming van de Landen. Een eerste kader is in dit verband een plicht om bij de verzorging van de interne aangelegenheden de belangen van het Koninkrijk mee te nemen (art. 41 lid 2 Statuut). Dat komt erop neer dat de Landen niet enkel interne belangen behartigen, zij moeten tegelijkertijd ook de Koninkrijksbelangen behartigen. Voorts dient elk Land zorg te dragen voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur (art. 43 lid 1 Statuut). Een andere plicht die op de Landen rust, is om bij hun wetgeving en bestuur de bepalingen van het Statuut in acht nemen (art. 48 Statuut).

      Het Statuut geeft ook regels met betrekking tot de regeling van concrete zaken die als autonome aangelegenheden kunnen worden aangemerkt. Een paar voorbeelden zijn: artikel 42 Statuut, waarin onder andere wordt gesteld dat de staatsinrichting van Aruba in de Staatsregeling van Aruba geregeld moet worden; artikel 46 Statuut, waarin voorschriften worden gegeven met betrekking tot het kiesrecht in de landen; en artikel 47 lid 1 Statuut, waarin voorschriften worden gegeven met betrekking tot de eed van Ministers en de leden van het vertegenwoordigende lichaam in de landen bij het aanvaarden van hun betrekkingen.

      Voorts legt het Statuut ook een zekere verantwoordings- en informatieplicht op de Caribische Landen ten aanzien van de regering van het Koninkrijk. Artikel 44 Statuut luidt als volgt:

      ‘Artikel 44 Statuut
      1. Een landsverordening tot wijziging van de Staatsregeling voor wat betreft:
      a. de artikelen, betrekking hebbende op de fundamentele menselijke rechten en vrijheden;
      b. de bepalingen, betrekking hebbende op de bevoegdheden van de Gouverneur;
      c. de artikelen, betrekking hebbende op de bevoegdheden van de vertegenwoordigende lichamen van de landen;
      d. de artikelen, betrekking hebbende op de rechtspraak,
      wordt overgelegd aan de regering van het Koninkrijk. Zij treedt niet in werking dan nadat de regering van het Koninkrijk haar instemming hiermede heeft betuigd.
      2.Een ontwerp-landsverordening betreffende de voorgaande bepalingen wordt niet aan het vertegenwoordigende lichaam aangeboden, noch bij een initiatief-ontwerp door dit lichaam in onderzoek genomen dan nadat het gevoelen der regering van het Koninkrijk is ingewonnen.’

      Niet alleen hebben de Caribische Landen een verantwoordings- en informatieplicht, zij hebben zich ook te conformeren aan de goedkeuring door de regering van het Koninkrijk eer het wetgevingsproces mag worden voortgezet. Men zou kunnen stellen dat het Statuut de regering van het Koninkrijk een discretionaire bevoegdheid toekent om al dan niet toestemming tot de daar opgesomde wijzigingen te verlenen. Een dergelijke discretionaire bevoegdheid zou ook kunnen worden gelezen in artikel 50 Statuut, waar de (constitutionele) Koning niet alleen kan toetsen op strijdigheid met het Statuut, een internationale regeling, een rijkswet of een algemene maatregel van rijksbestuur, maar ook op strijdigheid met Koninkrijksbelangen, een politiek-bestuurlijke afweging bij uitstek. Artikel 50 luidt namelijk als volgt:

      ‘Artikel 50 Statuut
      1. Wetgevende en bestuurlijke maatregelen in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, die in strijd zijn met het Statuut, een internationale regeling, een rijkswet of een algemene maatregel van rijksbestuur, dan wel met belangen, welker verzorging of waarborging aangelegenheid van het Koninkrijk is, kunnen door de Koning als hoofd van het Koninkrijk bij gemotiveerd besluit worden geschorst en vernietigd. De voordracht tot vernietiging geschiedt door de raad van ministers.
      2. Voor Nederland wordt in dit onderwerp voor zover nodig in de Grondwet voorzien.’

      Bij falen van het voldoen aan hun verplichtingen schept het Statuut tot slot de mogelijkheid dat Landsaangelegenheden worden verzorgd door de regering van het Koninkrijk. Artikel 51 luidt als volgt:

      ‘Artikel 51 Statuut
      1. Wanneer een orgaan in Aruba, Curaçao of Sint Maarten niet of niet voldoende voorziet in hetgeen het ingevolge het Statuut, een internationale regeling, een rijkswet of een algemene maatregel van rijksbestuur moet verrichten, kan, onder aanwijzing van de rechtsgronden en de beweegredenen, waarop hij berust, een algemene maatregel van rijksbestuur bepalen op welke wijze hierin wordt voorzien.
      2. Voor Nederland wordt in dit onderwerp voor zover nodig in de Grondwet voorzien.’

      Voor een Koninkrijk dat als uitgangspunt een (strikte) scheiding van autonome sferen heeft, lijken mij vooral de bepalingen opgenomen in artikel 44, 50 en 51 Statuut zeer ingrijpend. Merkwaardig is dat het Statuut dit soort toezicht overlaat aan een politiek orgaan en niet aan een rechterlijke instantie en bovendien het politiek orgaan ruimte toestaat tot het maken van politiek-bestuurlijke afwegingen met het gevolg dat een bestuurs- dan wel wetgevingsdaad van het Land kan worden geschorst of vernietigd. Beziet men bovendien de (bestuurlijke) geschilbeslechtingsprocedure opgenomen in artikel 12 Statuut, dan kan men niet anders concluderen dan dat de Caribische Landen weerloos staan tegenover de regering van het Koninkrijk.

      Het vermoeden dat het Statuut niet antagonisme als uitgangspunt hanteert, maar in de plaats daarvan samenwerking komt sterk tot uitdrukking in de derde paragraaf van het Statuut. De beperkingen op de autonomie die in deze paragraaf worden geregeld, komen erop neer dat hoewel de Landen autonoom zijn, zij zich niet enkel dienen te richten op hun eigen (interne) belangen, maar ook rekening met elkaar dienen te houden en waar redelijkerwijs mogelijk elkaar moreel en materieel dienen te steunen. De ratio achter deze beperkingen is dat ‘[h]un verbondenheid in het Koninkrijk (…) mede consequenties [heeft] voor de landen, waar zij zelfstandig handelen’, aldus de officiële toelichting op het Statuut.19xKamerstukken II 1953/54, 3517, 2 (bijlage), p. 14.

      Het eerste artikel van paragraaf 3 stelt daarom voorop dat Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten elkaar hulp en bijstand verlenen (art. 36 Statuut). Deze norm houdt een actief handelen in. Een ander aspect van deze norm is dat haar reikwijdte zeer breed is, want onder hulp en bijstand kan een onbepaalde hoeveelheid mogelijke handelingen vallen. Dat betekent dat de norm uit artikel 36 niet kan voorschrijven wat er van de Landen in een concreet geval wordt gevergd. Daarmee is de plicht dynamisch van aard. Men zou hier kunnen zeggen dat artikel 36 Statuut een beginsel inhoudt. Maar dat neemt niet weg dat het de Landen een rechtsplicht oplegt.

      Hoe de inhoud van deze norm in het concrete geval moet worden begrepen, wordt voorgeschreven in artikel 37 lid 1 Statuut waarin het volgende wordt bepaald: ‘Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten zullen zoveel mogelijk overleg plegen omtrent alle aangelegenheden, waarbij belangen van twee of meer van de landen zijn betrokken. Daartoe kunnen bijzondere vertegenwoordigers worden aangewezen en gemeenschappelijke organen worden ingesteld.’

      Wat ‘het verlenen van hulp en bijstand’ in een concreet geval vergt, moet worden gevonden door overleg. Dit ligt ook voor de hand aangezien hulp en bijstand zowel afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden in een bepaald geval als van de subjectieve betekenis die aan de omstandigheden wordt gegeven. Vanwege dit subjectieve element in hetgeen ‘hulp en bijstand’ vergt, lijkt overleg hierbij daadwerkelijk het beste middel tot het achterhalen van de norm in een concreet geval.

      In artikel 38 Statuut wordt bepaald dat de Landen onderling regelingen kunnen treffen. In samenhang met artikel 37 schrijft het Statuut ter wille van ‘hulp en bijstand’ overleg en afspraken maken voor. Een dergelijke regel veronderstelt autonome partners die in staat zijn tot overleg en bereid zijn zichzelf aan afspraken te binden. Het veronderstelt een bereidheid om de eigen autonomie te beperken. Is het hiervoor niet noodzakelijk om samenwerking te waarderen als een hoger goed? Is voor een duurzame samenwerking niet de bereidheid noodzakelijk om compromissen te sluiten? Is voor de verwezenlijking van een dergelijke samenwerking die pretendeert bestendig te zijn, geen wederzijds vertrouwen nodig?

      In het kader van de verantwoordelijkheid ten aanzien van elkaar verzwaart het Statuut de plicht tot gezamenlijk overleg en afspraken maken in artikel 39 lid 1 Statuut. Naar deze bepaling wordt veelal verwezen met het begrip ‘concordantiebeginsel’. Echter, deze bepaling geeft niet louter een uitgangspunt, doch een zeer uitdrukkelijke verplichting tot concordantie in wetgeving; artikel 39 lid 1 luidt als volgt:

      ‘Het burgerlijk en handelsrecht, de burgerlijke rechtsvordering, het auteursrecht, de industriële eigendom, het notarisambt, zomede bepalingen omtrent maten en gewichten worden in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze geregeld.’

      In de hier genoemde gevallen moeten de Landen overleg plegen en gezamenlijke afspraken maken. Dit betekent dat de beslissing omtrent hetgeen deze norm vergt door de Landen gezamenlijk moet worden ‘gevonden’: hoewel de Landen zelf(standig) deze aangelegenheden in hun eigen rechtsorde regelen, zijn ze met betrekking tot hetgeen zij (willen) regelen verantwoording verschuldigd aan elkaar. Dit beeld dat de Landen ook een verantwoordelijkheid dragen ten opzichte van elkaar komt krachtig tot uitdrukking wanneer een Land een van de in dit artikel opgesomde onderwerpen wil regelen en daarbij ‘ingrijpend’ afwijkt van de in de overige Landen bestaande regelingen. In dat geval moet dit Land de andere Landen in de gelegenheid stellen zich over de afwijkende regeling uit te spreken. Artikel 39 lid 2 Statuut luidt dan ook als volgt:

      ‘Een voorstel tot ingrijpende wijziging van de bestaande wetgeving op dit stuk wordt niet bij het vertegenwoordigende lichaam ingediend – dan wel door het vertegenwoordigende lichaam in behandeling genomen – alvorens de Regeringen in de andere landen in de gelegenheid zijn gesteld van haar zienswijze hieromtrent te doen blijken.’

      Uit het voorgaande blijkt dat de autonomie van de Landen veel beperkter is dan de bevoegdheidsverdeling op het eerste gezicht suggereert. Het autonoom bestuurlijk optreden van de Landen is gebonden aan verschillende normen, plichten met betrekking tot onder andere informatieverstrekking, overleg, samenwerking en (onderlinge) verantwoording. De vraag is of men deze beperkingen wil zien als een nadeel van het Statuut of als een voordeel.

    • 4. Concluderende opmerkingen: is de autonomie een plicht?

      Men kent het adagium ‘publiek recht is publieke plicht’. Als men dit adagium op de autonomie toepast, zou dat betekenen dat de autonomie van de Landen op de eerste plaats een plicht is. Een plicht ten aanzien van de eigen bevolking, een plicht ten aanzien van de partners in het Koninkrijk en een plicht ten aanzien van de eenheid van het Koninkrijk, en wellicht, in de sterk globaliserende wereld, een plicht ten aanzien van veel meer dan hetgeen binnen de grenzen van het Koninkrijk blijft.

      Een bevoegdheidsverdeling is dan niet een verdeling van exclusieve rechten, maar in feite een taakverdeling. Doch, zowel de Landen in autonoom verband als in Koninkrijksverband dragen dan een plicht om deze belangen zo goed mogelijk te verzorgen. Voor de wijze waarop deze belangen worden verzorgd, zijn de Landen zowel verantwoording verschuldigd aan de regering van het Koninkrijk, de partners in het Koninkrijk als aan de eigen bevolking.

      De autonomie is dan de plaats waar de plicht van de Landen begint om de eigen, de gezamenlijke en de Koninkrijksbelangen te behartigen. Dat vergt inspanning en oog voor kwaliteit. Hoe beter aan deze plichten worden voldaan, hoe groter de autonomie in de zin van handelingsvrijheid kan zijn. Immers, hoe beter de eigen zaken op orde zijn, hoe minder de plicht op de regering van het Koninkrijk rust om de teugels tussen de Landen en het Koninkrijk kort te houden. Hoe meer inbreng de individuele Landen in de samenwerking brengen, hoe groter de mogelijkheden voor optimalisering van de eigen rechtsorde

      Vanuit het perspectief van de Landen is dan de grote vraag waarop met betrekking tot de autonomie de nadruk gelegd moet worden: op de plicht die op de Koninkrijksorganen rust de autonomie te eerbiedigen of op de plicht die op de Landen zelf rust om (proactief) hun eigen huis op orde te hebben?

    Noten

    • * Deze tekst is geschreven ten behoeve van het slotsymposium, getiteld De juridische functie in verwachting, in het kader van de Leergang Recht, Bestuur en Procesvoering, georganiseerd door de Academie voor Overheidsjuristen in samenwerking met de Faculteit der Rechtsgeleerdheid en het Center for Lifelong Learning van de Universiteit van Aruba ten behoeve van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van Aruba. De leergang vond plaats vanaf juni 2011 en eindigde met het voornoemde symposium op 18 januari 2013, alwaar de auteur tevens een lezing heeft gegeven naar aanleiding van deze bijdrage.
    • 1 J.H.A. Logemann, ‘De hiërarchie der wettelijke regelingen in het statuut’, NJB 1955, p. 439.

    • 2 H.G. Hoogers&F. de Vries, Hoofdlijnen Arubaansstaatsrecht, Zutphen: Walburg Pers 2002, p. 38.

    • 3 Hoogers & De Vries 2002, p. 38.

    • 4 Hoogers & De Vries 2002, p. 41.

    • 5 C. Borman, Het Statuut voor het Koninkrijk (Studiepockets Staats- en bestuursrecht, nr. 34; 2e druk), Deventer: Kluwer 2005, p. 78.

    • 6 Vgl. A.G. Croes, De herdefiniëring van het Koninkrijk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2006, p. 29.

    • 7 Kamerstukken II 1953/54, 3517, 2 (bijlage), p. 10.

    • 8 Vgl. Croes 2006, p. 26.

    • 9 Croes 2006, p. 26. Zie ook Hoogers & De Vries 2002, p. 41.

    • 10 Croes 2006, p. 29.

    • 11 Croes 2006, p. 65.

    • 12 Croes 2006, p. 61.

    • 13 Vgl. ook de officiële toelichting bij artikel 3 Statuut, Kamerstukken II 1953/54, 3517, 2 (bijlage), p. 10.

    • 14 Kamerstukken II 1953/54, 3517, 2 (bijlage), p. 11.

    • 15 Kamerstukken II 1953/54, 3517, 2 (bijlage), p. 11.

    • 16 Kamerstukken II 1953/54, 3517, 2 (bijlage), p. 11.

    • 17 Vgl. H.F. Munneke, ‘Het Koninkrijk der Federalismen’, in: D.J. Elzinga e.a. (red.), Federalisme (Publicaties van de Staatsrechtkring, nr. 3_, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, p. 62: ‘De ongelijkheid in de statutaire constructie is daarin gelegen dat de statutaire koninkrijksorganen ter behartiging van gemeenschappelijke belangen in feite Nederlandse staatsorganen zijn, die zich – verdragskwesties (art. 25 en 26 Statuut) daargelaten – voor de gelegenheid enige inspraak van overzee hebben moeten laten welgevallen. Ik gebruik met opzet de term “inspraak” aangezien de procedures van besluitvorming over wetgeving en bestuur zodanig opgezet zijn dat zij niet door de overzeese landen geblokkeerd kunnen worden. De ingevolge het Statuut bestaande “rijkswetten” en “algemene maatregelen van rijksbestuur” zijn ook niet meer dan Nederlandse (lands)wetten en maatregelen waaromtrent (de vertegenwoordigers van) overzeese staatsorganen hun mening hebben kunnen geven.’

    • 18 Rechtspraak zal echter in het verdere verloop van dit betoog buiten beschouwing worden gelaten, daar dit een geheel eigen problematiek met zich brengt die buiten de strekking van deze bijdrage valt.

    • 19 Kamerstukken II 1953/54, 3517, 2 (bijlage), p. 14.

Reageer

Uw reactie